Sinds filmster Brad Pitt seven years in Tibet' heeft doorgebracht, heeft de belangstelling voor Tibet een flinke stimulans gekregen. Dit land met zijn overweldigende natuur, zijn eeuwenoude cultuur en godsdienst vol geheimzinnige rituelen, fascineert velen. Maar van het oorspronkelijke Tibet is weinig over. In 1949 is het bezet door de Chinezen, die er vreselijk hebben huisgehouden.
Tibet bestaat uit een immense hoogvlakte (gemiddeld 4500 meter hoog), omsloten door hooggebergte. Het dak van de wereld' wordt het genoemd. Het is dunbevolkt vanwege de vele onherbergzame gebieden. Maar het heeft ook vruchtbare gronden en enorme bossen en de bodem is rijk aan mineralen. De traditionele middelen van bestaan zijn landbouw, veeteelt en handel.
Vanaf ongeveer de dertiende eeuw is Tibet een theocratie geweest, dat wil zeggen dat de politieke macht geheel in handen was van religieuze leiders. De religie, het Tibetaanse boeddhisme, stond centraal in deze samenleving. De Chinezen troffen er bij hun inval in 1949 meer dan 5000 kloosters aan, waar ongeveer 20 procent van de bevolking leefde en werkte.
Heel het religieuze en politieke leven speelde zich rond deze kloosters af. Het machtigste klooster was het Potala-paleis in de hoofdstad Lhasa. Hier zetelde de Dalai Lama, de hoogste leider in Tibet. Een centraal bestuur bestond in Tibet overigens niet, omdat er nauwelijks infrastructuur was. De kloosters waren autonoom en omdat de kloosterlingen uit overtuiging alles deden zoals het al eeuwen gedaan was, was Tibet ver achtergebleven in ontwikkeling. Maar de Tibetanen leefden geïsoleerd van de rest van de wereld en hadden daar weinig last van.
De Chinezen gebruikten de achterstand als rechtvaardiging voor hun inval. Maar eigenlijk hadden ze andere redenen. Tibet kon voor China door zijn strategische ligging een buffer vormen tegen de machtige Sovjet-Unie. Het land was rijk aan grondstoffen en zou bovendien goed kunnen dienen als opvang voor de snel groeiende Chinese bevolking.
In het begin werden de Tibetanen door de bezetters met rust gelaten en mochten zij hun godsdienstige tradities voortzetten. De Chinezen legden wegen aan, brachten elektriciteit, verbeterden het onderwijs en de gezondheidszorg. De welvaart nam toe, maar die kwam alleen ten goede aan Chinese immigranten. En daardoor liep het mis. De Tibetanen kwamen in opstand en de Chinezen gingen steeds harder en gewelddadiger optreden.
In 1959 moest de Dalai Lama vluchten. Hij woont nu in India waar hij temidden van zo'n 100.000 mede-vluchtelingen met de moed der wanhoop de oude cultuur in stand probeert te houden. Intussen is in Tibet zelf nauwelijks nog iets van die cultuur overgebleven. Alle kloosters zijn ontmanteld en beroofd van hun kunstschatten, de taal en de godsdienst zijn verboden. In hun eigen land zijn de Tibetanen derderangs burgers geworden.
In 1989 ontving de Dalai Lama de Nobelprijs voor de Vrede en sindsdien is er wereldwijd meer aandacht voor het lot van de Tibetanen en de Tibetaanse cultuur. Maar veel hebben zij daar tot nu toe niet aan gehad. Geen land durft het aan om China te veroordelen. Daarvoor is China een te belangrijke machtsfactor en handelspartner. En voor China bestaat Tibet niet meer. Zelfs niet in de wereld van Kuifje.